aanbevelen

/ˈambəˌvelə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
    Ik kan je Jan aanbevelen, want hij is een kundig en betrouwbaar boekhouder.
    Het is geen carrière die ik zou aanbevelen.
  2. ov (ov) aanprijzen
    Ik kan je deze oude auto niet aanbevelen want hij heeft veel gebreken.
    Een bestemming én manier van vakantie vieren die ons door de dame in het reisbureau overigens van harte werd aanbevolen.
  3. verouderd (verouderd) toevertrouwen

Etymologie

* In de betekenis van ‘aanraden’ voor het eerst aangetroffen in 1656

Uitdrukkingen

  • iets warm aanbeveleniets heel sterk aanbevelen
  • zich aanbevolen houden voorbelangstelling en interesse hebben voor
  • iemand een geheim aanbevelen

Vertalingen

Engelsrecommend, recommend
Duitsempfehlen, anpreisen, anvertrauen
Spaansaconsejar, recomendar, encomendar
Poolspolecać
Deensanbefale