aanbevelen
/ˈambəˌvelə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelenIk kan je Jan aanbevelen, want hij is een kundig en betrouwbaar boekhouder.Het is geen carrière die ik zou aanbevelen.
- (ov) aanprijzenIk kan je deze oude auto niet aanbevelen want hij heeft veel gebreken.Een bestemming én manier van vakantie vieren die ons door de dame in het reisbureau overigens van harte werd aanbevolen.
- (verouderd) toevertrouwen
Etymologie
* In de betekenis van ‘aanraden’ voor het eerst aangetroffen in 1656
Uitdrukkingen
- iets warm aanbevelen — iets heel sterk aanbevelen
- zich aanbevolen houden voor — belangstelling en interesse hebben voor
- iemand een geheim aanbevelen
Vertalingen
Engelsrecommend, recommend
Duitsempfehlen, anpreisen, anvertrauen
Spaansaconsejar, recomendar, encomendar
Poolspolecać
Deensanbefale
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek