Zwaluw
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzwalyw/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) benaming voor trekvogels uit de familie , die van insecten levenZwaluwen doken om mijn oren en voor me uit.
Etymologie
*van Middelnederlands "swaluwe" / "swalewe", in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- één zwaluw maakt nog geen zomer
- één zwaluw maakt de lente niet
Vertalingen
Engelsswallow
Franshirondelle
DuitsSchwalbe
Spaansgolondrina
Italiaansrondine
Portugeesandorinha
Russischласточка
Poolsjaskółka
Zweedssvala
Deenssvale
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek