zwalken
/ˈzʋɑl.kə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (scheepvaart) op zee ronddolen, dobberen' 'In een open bootje op zee zwalken,' mompelde ik.
- (inerg) (bij uitbreiding) doelloos en ongecontroleerd zich voortbewegenDe dronken zwerver zwalkte over de weg.
Etymologie
* Herkomst onduidelijk, mogelijk een mengvorm van "zwerven" en "walken". In de betekenis van ‘ronddolen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1784.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek