Voorstad
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvorstɑt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (aardrijkskunde) plaats die door verstedelijking als deel van het bebouwd gebied rondom een grotere stad wordt beschouwdVoor het eerst trok de gewone man naar het zuiden, in zijn net aangeschafte 2 CV, Renault Dauphine of Simca Aronde - en een decennium later in een Citroën Ami of Peugeot 404. 'Parijs wordt een buitenwijk van Valence, een voorstad van Saint-Paul de Vence', zong Charles Trenet in 1955 in zijn klassieker Route Nationale 7.Ondertussen trok de industriële voorstad van San Diego aan ons voorbij.
- (geschiedenis) buiten de stadsmuren gelegen bebouwing van een stad
Etymologie
*[2] van Middelnederlands "vorestat"
Vertalingen
Fransfaubourg, faubourg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek