Morgen
mannelijk (de)/ˈmɔrɣə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening) het eerste deel van de dag, na de nacht en vóór de middag
tussenwerpsel
- (verkorting) goedemorgen
Etymologie
**: al in de middeleeuwen afgeleid van het zelfstandig naamwoord
Uitdrukkingen
- Morgen brengen!
- Een gat in de dag ( of morgen) slapen
- Stel niet uit tot morgen, wat je vandaag kunt doen — doelt op actie, wees niet lui of gemakzuchtig, ga door en wel nu. ofwel: door nu het werk al te doen geeft het later een rustiger gevoel
- Vandaag Hosanna, morgen kruist hem
Vertalingen
Engelsmorning, tomorrow
Fransmatin, demain
DuitsMorgen, morgen
Spaansmañana, mañana
Italiaansdomani
Portugeesmanhã
Russischутро, завтра
Turkssabah, yarın
Poolsrano, jutro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek