Mimi

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmimi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meubel (meubel) klein tafeltje voor in een zitkamer
    {{ouds
zelfstandig naamwoord
  1. beroep, geschiedenis (beroep) (geschiedenis) rondtrekkende artiesten die hun publiek vermaakten met pantomime, imitaties, jongleren, goochelen en komische of spannende voordrachten
    {{ouds
zelfstandig naamwoord
  1. spinachtigen (spinachtigen) (Nederlands-Indië) benaming voor zeedieren uit de familie , levende fossielen die lijken op een krab met een stijve puntige staart
    {{ouds
zelfstandig naamwoord
  1. mythologie (mythologie) (Aboriginals) benaming voor de lange, zeer dunne wezens die leven in de rotsspleten van Noord-Australië
    Zij zeggen dat de schilderingen gemaakt zijn door vooroudergeesten, de mimi, en dat dit hun zelfportretten zijn. De mimi hebben, zoals je op de afbeelding van de figuren kunt zien, lichamen zo dun als rietstengels en zo iel dat ze niet aan een flinke wind kunnen worden blootgesteld, uit angst dat ze dan zouden ombuigen en knakken.

Etymologie

*[D]: van "mimih"