Komen
/ˈkomə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) bewegen van verder weg naar dichterbijIk voelde me veel minder veilig in de bossen dan in de uitgestrekte, open woestijn. Dat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke Nederland kom, waar ik gewend ben aan weidse landschappen met vergezichten en hoge luchten.Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit.Het Burning Man-festival in Nevada is de ultieme expressie hiervan en het komt aardig in de buurt van de echte hippielevensstijl van destijds.
- (erga), (seksualiteit) een orgasme hebben, klaarkomen
- (copl) worden, bedijgenHij kwam afzakken, hij kwam toegesneldHij kwam aangekeft, hij kwam aanmompelen.
Etymologie
*: venire
Uitdrukkingen
- aan het hart laten komen
- boven water komen — bovenkomen
- tussenbeide komen — interfereren
- Aan de bak komen
- Aan zijn trekken komen — krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt
- Als het puntje bij het paaltje komt — Als het erop aankomt
- Als puntje bij paaltje komt — Als het eropaankomt
- Berouw komt na de zonde — als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw
Vertalingen
Engelscome, come
Fransvenir
Duitskommen, kommen, nicht zur Geltung kommen
Spaansvenir
Italiaansvenire
Russischприходить
Chinees来
Japans来る
Turksgelmek
Poolsprzychodzić, dochodzić
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek