gaan
/ɣan/
Betekenis
werkwoord
- (erga) zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker afHij ging naar Amerika.Ze waren naar buiten gegaan om te plassen maar werden daar plotseling omringd door een blauwe lichtbol.
- mogelijk zijnDat gaat niet.
- (auxl) vormt een onmiddellijke toekomende tijdEn nu ga ik slapen.Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.Zo stil mogelijk ging ik rechtop in mijn slaapzak zitten en probeerde mijn overvolle blaas geruisloos te legen.
- (auxl) (Belgisch-Nederlands) vormt een toekomende tijd, grotendeels synoniem met zullenJullie gaan nog staan kijken!
Etymologie
:: κίω, κιγχανω, κιχανω
Uitdrukkingen
- gaan met die banaan
- gaan voor
- dames gaan voor
- te boven gaan
- Aan de haal gaan — ergens mee vandoor gaan
- Aan hetzelfde euvel mank gaan — dezelfde fouten maken als iemand anders
- Alleen de zon gaat voor niets op. — voor welvaart moet gewerkt worden, niks is gratis
- Als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan. — genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is
Vertalingen
Engelsgo
Fransaller
Duitsgehen, davonmachen, türmen
Spaansir, andar
Italiaansandare
Portugeesir
Russischидти
Chinees去
Koreaans가다
Arabischذهب
Turksgitmek
Poolsiść, chodzić
Zweedsgå
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek