Haag

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
    De route kronkelt naar beneden en eindigt in de diepte bij een haag van stillikgewas.
    Ik fotografeerde er ook de haag aan de andere kant van de weg, waarschijnlijk de haag die in het document dat ik las werd genoemd.
  2. op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken
    Ze gingen naar een gebouw, waar bij binnenkomst een haag van ss'ers stond, en werden meteen naar boven gedirigeerd.
    Ze krulde haar staart om haar poten en keek, af en toe haar oogjes even tevreden toeknijpend, alsof ze naast de kachel zat, de haag van mensen voor zich welwillend aan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘heg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 889

Vertalingen

Engelshedge
Franshaie
DuitsHecke
Spaansseto verde, valla, cercado
Italiaanssiepe
Poolsżywopłot