Haagbeuk

mannelijk (de)/ˈhaɣbøk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort loofboom, , die veel in heggen voorkomt, inheems is in de Benelux en tot 25 meter hoog kan worden en behoort tot de berkenfamilie,

Etymologie

*van Middelnederlands "haeghbuecke", leenvertaling van "hagenbuoche", op te vatten als

Vertalingen

Engelshornbeam
Franscharme
DuitsHainbuche
Spaanscarpe, hojaranzo
Italiaanscarpino
Portugeescarpino
Russischграб
Japans
Turksgürgen
Poolsgrab
Zweedsavenbok
Deensavnbøg