Foeken
/ˈfukə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (straattaal) (seksualiteit) (verouderd) geslachtsgemeenschap hebbenPechtold zou een passende opvolger kunnen zijn als die even niet ligt te foeken in zijn appartement?
- (inerg) door duwen of trekken vouwen gaan vertonenOok heeft deze jeans weer lussen voor een riem. Alleen heeft dit model 2 lusjes middenachter. Omdat de jeans hoger zit, is dit bij een riem precies het punt waar de stof eronderuit wil gaan foeken. En dan voorkom je dus met die dubbele lus.
Etymologie
*wellicht cognaat met fokken, "ficken" en "fuck"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek