plooien
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets in losse vouwen opstapelenVouw de pijpen netjes over elkaar en plooi de broek over de hanger.
- (ov) rimpelen van het gezicht, veranderen van gezichtsuitdrukkingHij plooit zijn gezicht in een grijns.
- (ov) geschikt maken, vormen, ombuigenSinds mijn overstap kan zij haar baan plooien rond mijn regelmatige bestaan als docent.
- (refl) zich schikken naarDe taal plooit zich voortdurend naar de veranderende omstandigheden.Opvallend gewillig plooit hij zich in die rol.
- buigen van een gewrichtClaeys kreeg de eerste medische zorgen in de teambus, maar liet uiteindelijk geen radiografie nemen. “Ik heb dat niet gedaan, ik denk niet dat er iets gebroken is”, zei hij. “Ik kan mijn elleboog plooien en strekken, maar dat is zeer pijnlijk en doe ik maar aan 20 à 25 procent. Tja, we moeten verder. Stel dat hij gebroken is, dan zien we dat morgen wel. Ik wil graag op die fiets. De kinesist is me nu aan het behandelen. Hopelijk heb ik wel een goede nachtrust en kan ik gewoon starten.”De Standaard 02/07/2017
Etymologie
*afgeleid van plooi
Uitdrukkingen
- schikken en plooien
Vertalingen
Engelsfold
Duitsfalten
Spaansplisar, plegar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek