plooien

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets in losse vouwen opstapelen
    Vouw de pijpen netjes over elkaar en plooi de broek over de hanger.
  2. ov (ov) rimpelen van het gezicht, veranderen van gezichtsuitdrukking
    Hij plooit zijn gezicht in een grijns.
  3. ov (ov) geschikt maken, vormen, ombuigen
    Sinds mijn overstap kan zij haar baan plooien rond mijn regelmatige bestaan als docent.
  4. refl (refl) zich schikken naar
    De taal plooit zich voortdurend naar de veranderende omstandigheden.
    Opvallend gewillig plooit hij zich in die rol.
  5. buigen van een gewricht
    Claeys kreeg de eerste medische zorgen in de teambus, maar liet uiteindelijk geen radiografie nemen. “Ik heb dat niet gedaan, ik denk niet dat er iets gebroken is”, zei hij. “Ik kan mijn elleboog plooien en strekken, maar dat is zeer pijnlijk en doe ik maar aan 20 à 25 procent. Tja, we moeten verder. Stel dat hij gebroken is, dan zien we dat morgen wel. Ik wil graag op die fiets. De kinesist is me nu aan het behandelen. Hopelijk heb ik wel een goede nachtrust en kan ik gewoon starten.”De Standaard 02/07/2017

Etymologie

*afgeleid van plooi

Uitdrukkingen

  • schikken en plooien

Vertalingen

Engelsfold
Duitsfalten
Spaansplisar, plegar