Boezem

mannelijk (de)/'buzəm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) bovendeel van het voorlijf
    Het magere meisje had een platte boezem.
    Pronte boezem of uitstekende kont, hoge of lagere taille? De communis opinio over wat aantrekkelijk is blijkt al sinds jaar en dag zo veranderlijk als wat. Bewondering voor het vakmanschap, tot in detail toegelicht in heldere bijschriften en relativering van waar de mens toch al die moeite voor doet, gaan hier hand in hand.Sandra Heerma van Voss NRC 23 februari 2016
    Een lome blik op de imposante boezem van een langslopende dame bleek een vergeefse poging tot afstel.
  2. anatomie (anatomie) de twee bovenste afdelingen van het hart
  3. waterbeheer (waterbeheer) waterloop die als verzamelbekken van het te spuien water van een polder dient
  4. figuurlijk (figuurlijk) het meest eigen deel van iets of iemand (n.l. in het hart)
    De integriteit van regionale bestuurders, meer dan het leiderschap van Infantino, zal bepalen of grootschalig ethisch wangedrag en crimineel handelen in de boezem van de FIFA tot het verleden behoren. NRC 29 februari 2016

Etymologie

* In de betekenis van ‘borsten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Uitdrukkingen

  • De hand in eigen boezem stekenEerst kijken naar wat je zelf fout gedaan hebt, alvorens anderen te bekritiseren

Vertalingen

Engelsbreast, chest, bosom
Spaanspecho, seno