borst

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɔrst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) bovenste deel van de voorkant van de romp van mens (of vergelijkbaar deel bij dier), van onder begrensd door het middenrif en van boven door de hals
    Versnijd iedere borst in drie filets en snijd deze in blokjes.
    In de natuur vind ik rust en vrede om na te denken en te bidden. Ook al ben ik geen katholiek, toch sla ik vaak een kruisje voor mijn borst.
  2. anatomie (anatomie) elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
    Maar Albert was geen vlug type, alles kostte bij hem tijd. En al heel snel was daar Cécile geweest, hij was meteen hartstochtelijk verliefd, de ogen van Cécile, de mond van Cécile, de glimlach van Cécile, en daarna uiteraard de borsten van Cécile, de kont van Cécile, hoe wil je dan aan iets anders denken. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Zijn hand gleed vanaf haar rug langzaam naar beneden. Chantal trok hem steviger tegen zich aan. Zijn bovenlichaam drukte nu tegen haar borsten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘jonkman’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1623

Uitdrukkingen

  • Dat stuit mij tegen de borst.Daar heb ik een afkeer van/Dat valt me zwaar tegen
  • Iemand aan de borst drukkenIemand liefdevol omarmen (ook fig.)
  • Uit volle borst (zingen)Luid zingen
  • Zich op de borst kloppenZich zonder bescheidenheid op iets beroemen (vaak onterecht)
  • De borst gevenEen kind moedermelk uit de borst laten drinken

Vertalingen

Engelschest, breast, pram
Franspoitrine, sein
DuitsBrust, Brust, stillen
Spaanspecho, seno
Italiaanspetto, seno
Portugeespeito
Russischгрудь
Arabischصّدر
Turksgöğüs, göğüs, meme
Zweedsbröst, barm, bringa