atrium

onzijdig (het)/'atrijʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) voorkamer van het hart
  2. bouwkunde (bouwkunde) een centrale ruimte in een gebouw
    Ik had verwacht in een atrium vol ratelende typistes te komen werken, maar ik was alleen.
    Voor hen opende zich een onverwacht atrium van intens gouden licht, een enorme ruimte die minstens over de helft van het huis liep, met een plafond van balken die bijna versplinterden van ouderdom, en gepleisterde muren vol scheuren.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘centraal deel van Romeinse woning’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1661

Vertalingen

Engelsatrium, atrium
Fransatrium
DuitsAtrium
Spaansatrio
Italiaansatrio
Portugeesátrio
Russischатриум
Chinees中庭
Japans心房, アトリウム
Turksavlu
Poolsprzedsionek, atrium
Zweedsförmak, atrium
Deensatrium