zwagerin
vrouwelijk (de)/zwaɣəˈrɨn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote
Etymologie
*Afgeleid van zwager (dat vrouwelijke varianten vormt).
Vertalingen
Engelssister-in-law
Fransbelle-sœur
DuitsSchwägerin
Spaanscuñada
Italiaanscognata
Deenssvigerinde
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek