zuigen

/ˈzœyɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaat
    Deze machines zuigen aan de bovenkant warme lucht aan.
  2. (van jonge kinderen en dieren) de moedermelk uit de tepels in zich opnemen
  3. informeel (informeel) doorgaand treiteren, telkens opnieuw beginnen over iets met de bedoeling iemand anders kwaad te maken
    Zit niet zo te zuigen!

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands sūghen, uit Oudnederlands sūgan, ontwikkeld uit Oergermaans *sūgan-, bij Indo-Europees *seuḱ- ~ *seuǵ- ‘zuigen’, waartoe ook Latijn sūgere ‘zuigen’, sūcus ‘sap’, Litouws suñkti ‘uitpersen, filtreren’ en Oudkerkslavisch sŭsati ‘zuigen’ behoren. Evenals Nederduits sugen, Duits saugen, Fries sûg(j)e en IJslands sjúga.

Uitdrukkingen

  • Ergens een punt(je) aan kunnen zuigenGezegd van de prestatie van een ander die niet makkelijk valt te evenaren
  • Iets uit zijn duim zuigenIets fantaseren, verzinnen

Vertalingen

Engelssuck, suckle, nurse
Franssucer, téter
Duitssaugen, säugen
Spaanschupar, mamar
Italiaanssucchiare, suggere, poppare
Portugeeschupar, sugar
Russischсосать, всасывать
Japans吸う, ssać
Poolsssać pierś
Zweedssuga