zuigen
/ˈzœyɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- een verlaagde druk aanleggen met de mond of met een apparaatDeze machines zuigen aan de bovenkant warme lucht aan.
- (van jonge kinderen en dieren) de moedermelk uit de tepels in zich opnemen
- (informeel) doorgaand treiteren, telkens opnieuw beginnen over iets met de bedoeling iemand anders kwaad te makenZit niet zo te zuigen!
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands sūghen, uit Oudnederlands sūgan, ontwikkeld uit Oergermaans *sūgan-, bij Indo-Europees *seuḱ- ~ *seuǵ- ‘zuigen’, waartoe ook Latijn sūgere ‘zuigen’, sūcus ‘sap’, Litouws suñkti ‘uitpersen, filtreren’ en Oudkerkslavisch sŭsati ‘zuigen’ behoren. Evenals Nederduits sugen, Duits saugen, Fries sûg(j)e en IJslands sjúga.
Uitdrukkingen
- Ergens een punt(je) aan kunnen zuigen — Gezegd van de prestatie van een ander die niet makkelijk valt te evenaren
- Iets uit zijn duim zuigen — Iets fantaseren, verzinnen
Vertalingen
Engelssuck, suckle, nurse
Franssucer, téter
Duitssaugen, säugen
Spaanschupar, mamar
Italiaanssucchiare, suggere, poppare
Portugeeschupar, sugar
Russischсосать, всасывать
Japans吸う, ssać
Poolsssać pierś
Zweedssuga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek