vervelen

/vərˈvelə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) saai zijn, en gevoelens van onlust bij iemand oproepen
  2. inerg (inerg) klieren
  3. refl (refl) zich ~: niet weten wat te doen
    Misschien zou ik me op een gegeven moment vervelen met alleen mijn eigen gedachten als vermaak.

Etymologie

*Afgeleid van veel

Uitdrukkingen

  • (in België) verveeld zitten met iets

Vertalingen

Engelsbe bored
Franss'ennuyer
Duitssich langweilen
Spaansfastidiarse, aburrirse
Turksusanmak