zout

onzijdig (het)/zɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. alledaagse naam voor keukenzout bedoeld (natriumchloride)
    Kunt u het zout even doorgeven?
    ('Mag ik het zout even?' 'Natúúrlijk!') Gek genoeg leek Joy mijn rol te hebben overgenomen, ze was bijzonder spraakzaam en richtte haar pijlen volledig op de ober.
  2. scheikunde (scheikunde) een verbinding die bestaat uit een metaal en een zuurrest
    Ze kon het zout in de lucht bijna proeven.
    Salmiak is een zout van ammonia en zoutzuur.
    Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.
  3. een van de vijf smaken

Etymologie

:Oost: : salt (n)

Uitdrukkingen

  • Het zout in de pap niet verdienenHeel erg weinig verdienen
  • Met een korrel[tje] zout nemenIets niet al te serieus of zwaar opvatten
  • Met het zout komen als het ei op isPas met een oplossing komen als het probleem er niet meer is
  • Op alle slakken zout leggenOver alle onbelangrijke dingen/ kleinigheden commentaar hebben/klagen; ieder minuscuul en onbeduidend foutje bekritiseren
  • Zout in de wond strooienIets wat toch al vervelend is nog eens extra benadrukken of nog meer verergeren
  • Het nog nooit zo zout gegeten hebbenNog nooit eerder zoiets geks, raars of vervelends hebben meegemaakt of ervaren

Vertalingen

Engelssalt, salty
Franssel, salé
DuitsSalz, salzartig, salzig
Spaanssal, salino, salado
Italiaanssale
Russischсоль
Japans塩, しお, shio
Turkstuz, tuzluluk, tuzlu tat
Poolssól, słony