brak
mannelijk (de)/brɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wildEr zijn verschillende hondenrassen die als brakken gebruikt worden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘zilt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Vertalingen
Engelshound
Spaanssalobre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek