zorgen

/ˈzɔrɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. zorg dragen
    Zorg dat je er bent vrijdag!
    De zon was nog niet op en met mijn hoofdlamp checkte ik nog een laatste keer al mijn spullen om te zorgen dat ik niets zou vergeten.
  2. veroorzaken
    Dit zware weer had voor een flinke deuk in mijn zelfvertrouwen gezorgd en had duidelijk sporen bij me achtergelaten.
    Maar om te zorgen dat de boog niet instortte in de harde wind moest je een vakwerk van hout en planken bouwen dat vanaf de bodem van het dal omhoogging — er waren enorme hoeveelheden hout nodig om de ondersteuning sterk genoeg te maken.

Etymologie

*afgeleid van zorg

Vertalingen

Engelscare, take care, worry
Duitssorgen
Spaansprocurar, cuidar