zorg

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɔrᵊx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ongeruste overweging
    Geldgebrek is een hele zorg.
    Vorige week trok er een dikke laag van zwarte rook over steden in Brazilië. In één stad was het zelfs een uur helemaal donker door de rook. Veel mensen zijn bezorgd. Ook kenners maken zich zorgen, zoals professor Bongers. Hij werkt bij de universiteit.
  2. verpleging, voorzien in een behoefte
    Hij nam de zorg op zich voor zijn zieke vader.
  3. het geheel aan medische voorzieningen in een bepaald land of gebied
    De NZa wil met de gegevens van uiteindelijk 800.000 ggz-patiënten een beter beeld creëren van de zorg die nodig is. Daartoe moeten behandelaars per patiënt een online scorelijst invullen. Ook zorgverzekeraars kunnen van de informatie gebruikmaken bij het inkopen van zorg. Behandelaars die geen of onjuiste gegevens aanleveren, kunnen na een waarschuwing een dwangsom opgelegd krijgen.

Etymologie

*(erfwoord), via het Middelnederlands "sorge" van het Oudnederlands "sorga", dat weer komt van het veronderstelde *surgō; cognaat met "Sorge" of "sorrow"

Vertalingen

Engelsworry, care, concern
DuitsSorge, Pflege
Spaanspreocupación, cuidado