zondebok

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een te offeren dier, gewoonlijk een bokje, waarop alle zonden geworpen worden
    Op Yom Kippur werd een zondebok "voor Azazel" beladen met zonden "naar de wildernis geleid", dat wilde later zeggen dat de bok van een rots afgeworpen werd.
  2. figuurlijk (figuurlijk) iemand, al dan niet schuldig aan iets, die gebruikt wordt om de levende onvrede op af te wentelen
    Minderheden zoals joden of homo's worden maar al te vaak als handige zondebok aangewezen als politici gecontronteerd worden met onvrede onder de bevolking.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘die van alles de schuld krijgt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844

Vertalingen

Engelsscapegoat, scapegoat
Fransbouc émissaire, bouc émissaire, bouquet mystère
DuitsSündenbock, Sündenbock