zomervakantie

vrouwelijk (de)/ˈzomərvaˌkɑn(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een lange vakantie in de zomer
    Kinderen in de lagere school hebben tussen twee schooljaren een zomervakantie van zes weken.
    Hij haalde een goed cijfer voor wiskunde, kreeg zelfs een ruime voldoende. Maar toen we afscheid namen voor de zomervakantie miste ik hem geen seconde.
    Van de zomer zouden we het hoe dan ook niet nog een keer verknallen. Het ergste was dat het nog zo oneindig lang duurde tot de zomervakantie.

Vertalingen

EngelsSummer vacation, summer holidays, summer break
Fransgrandes vacances
DuitsSommerferien
Zweedssommarlov