zomer

mannelijk (de)/ˈzomər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jaargetijde tussen lente en herfst
    De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'
    In het woestijndorp Agua Dulce, 725 kilometer van de Mexicaanse grens, bleef ik drie nachten logeren in de tuin van de Saufley’s, een familie die al 20 jaar Trail Angels zijn en hun tuin de hele zomer open stellen voor PCT-hikers.

Etymologie

*Verwant met het Oudindische sama (jaargetijde, jaar).

Uitdrukkingen

  • Slechts één positief teken duidt nog niet op een volledig herstel, volledige winst enz.
  • De zomer is voorbij (o.a. in Voorstad van Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot).

Vertalingen

Engelssummer
Fransété
DuitsSommer
Spaansverano
Italiaansestate
Portugeesverão
Russischлето
Chinees夏天
Japans
Koreaans여름
Arabischالصَّيْف
Turksyaz
Poolslato
Zweedssommar
Deenssommer