zit
mannelijk (de)/zɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- daad die bestaat uit zittenZo'n vlucht naar de andere kant van de oceaan is een hele zit.
- plaats waar je kunt zittenDeze hotelkamer had een eenvoudig zitje.
Etymologie
*: "zitten" zonder de uitgang -en
Uitdrukkingen
- Daar zit 'em de knoop. — daar zitten de moeilijkheden/problemen
- Dat zit wel snor
- Die het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best. — als je ergens vlak bij bent heb je daar vaak meer voordeel van dan wanneer dat niet het geval is
- Een ongeluk zit in een klein hoekje. — door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren
- Er zit bij hem een steekje los — die is niet helemaal goed bij zijn hoofd
- Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan. — niets is perfect
- Hij zit in de luizen. — Hij heeft grote zorgen.
- Wat in het vat zit, verzuurt niet. — iets wat goed is, en goed bewaard wordt, verliest zijn waarde niet ofwel: wat belooft is zal ook worden ingelost
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek