zijner

/ˈzɛinər/

Betekenis

voornaamwoord
  1. verouderd (verouderd) van hij en het
    Ontferm u zijner Heere, ontferm U zijner naar Uwe groote barmhartigheid!
voornaamwoord
  1. verouderd (verouderd) (f) (van) zijn
    En wil iemand weten wat in zijn boerderij, wat in zijn huis of zijner vrouw kleerkast ontbreekt, dan kan hij niet beter doen dan naar de winkel te gaan: daar leert hij behoeften kennen waarvan hij nooit gedroomd heeft.
  2. verouderd (verouderd) (van) zijn
    Persoonlijke accenten en beroepskleding gaven hun gebeden een vanzelfsprekendheid waar het Franse staatshoofd en de vijf eersten zijner ministers zichtbaar niet aan te pas kwamen.

Etymologie

*zijn Categorie:Genitief in het Nederlands