zijner
/ˈzɛinər/
Betekenis
voornaamwoord
- (verouderd) van hij en hetOntferm u zijner Heere, ontferm U zijner naar Uwe groote barmhartigheid!
voornaamwoord
- (verouderd) (f) (van) zijnEn wil iemand weten wat in zijn boerderij, wat in zijn huis of zijner vrouw kleerkast ontbreekt, dan kan hij niet beter doen dan naar de winkel te gaan: daar leert hij behoeften kennen waarvan hij nooit gedroomd heeft.
- (verouderd) (van) zijnPersoonlijke accenten en beroepskleding gaven hun gebeden een vanzelfsprekendheid waar het Franse staatshoofd en de vijf eersten zijner ministers zichtbaar niet aan te pas kwamen.
Etymologie
*zijn Categorie:Genitief in het Nederlands
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek