zevenboom
mannelijk (de)/ˈzevə(n)ˌbom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (coniferen) soort struik, , een verwant van de jeneverbes die in Europa op wat grotere hoogte voorkomtIs dat niet een zevenboom?
Etymologie
*van Middelnederlands "sevenboom", op te vatten als , waarin "zeven" een verbastering is van Latijn "sabina" "Sabijns"
Vertalingen
Engelssavin
Fransgenevrier sabine, sabinier
DuitsStinkwacholder
Spaansenebro corveño
Italiaansgenepro sabina
Zweedssävenbom
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek