zemelen
/ˈzemələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zeuren, langdurig doorpraten over iets dat van weinig belang isEr werd eindeloos gezemeld en gezeverd.
zelfstandig naamwoord
- (voeding) ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen, die overblijven bij het tot meel malen van graankorrelsHet nuttigen van zemelen is erg gezond omdat ze veel vezels bevatten.Ik gebruik nu vooral zemelen tegen constipatie.
werkwoord
- (erga) de vulling met hulsjes van graankorrels geleidelijk verliezen{{ouds
- (erga) (figuurlijk) in fijne deeltjes omlaag dwarrelen
Etymologie
*[B] : "zemel" met de uitgang -en; "zemel"
Vertalingen
Engelsbran
Fransson
DuitsKleie
Spaanssalvado, acemite
Italiaanscrusca, semola
Portugeesfarelo
Russischотруб
Chinees麩皮, 麸皮
Japansぬか
Koreaans겨, 기울
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek