zemel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzeməl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) huls en kiem van een graankorrel die bij het malen daarvan worden afgescheiden en fijngemaakt
    Granen bestaan uit zetmeel met daaromheen een vliesje, de zemel, en een kiem met voedingsstoffen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets of iemand die minderwaardig wordt gevonden
    Juffrouw Van Toossen was een dom stuk zemel.
zelfstandig naamwoord
  1. iemand die veel klaagt of praat over onbelangrijke dingen
    Het is en blijft hier op aarde een gebroken kerk, met ruzies en conflicten. (…) Vooral als er narigheid in de gemeente is. Dat moet Spurgeon toch ook wel 's gehad hebben, dat hij tegen zijn vrouw zei: „Daar heb je die zemel alweer aan de deur."

Etymologie

*[B] afgeleid van "zemelen" zonder de achtervoegsel -en, mogelijk onder invloed van [A]