zekeren

/ˈzɛkərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
    Als je zekert moet je altijd goed op blijven letten.
    Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.

Etymologie

*afgeleid van zeker ??

Vertalingen

Engelsbelay
Fransverrouiller
Duitssichern
Spaansasegurar, amarrar