zak

mannelijk (de)/zɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. slap omhulsel dat aan een kant een (soms afsluitbare) opening heeft om er iets in te stoppen of uit te halen
    Stop die oude rommel maar in een zak.
    Met knorrende maag verwarmde ik een zak vriesdroge spaghetti bolognese op mijn JetBoil Minimo gaspit.
    Het eten stopte ik in aparte zip-lock zakjes.
  2. plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    Waarom hou je dat potlood de hele tijd in je hand, waarom stop je het niet in je zak?
  3. scheldwoord (scheldwoord) erg vervelende, onaangename of onnozele vent (wellicht een verkorting van klootzak)"zak" in: De Coster, Marc, Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen: Standaard, 2007.
    De meeste kinderen vinden hun vader een ouwe zak (hij durft het woord lul niet te gebruiken, want zijn krant heeft nog taboes, zegt hij).
  4. anatomie, verouderd (anatomie) (verouderd) orgaan in de buik waar de vertering van het voedsel begint
    {{ouds

Etymologie

*[4] in de betekenis van 'maag' aangetroffen vanaf 1434

Uitdrukkingen

  • de zak krijgen
  • een kat in de zak kopen
  • Geen zak{{vulgair|nld
  • Iemand de zak gevenIemand ontslaan
  • In zak en as zittenNiet meer weten wat te doen in een impasse/een uitzichtloze situatie
  • In zijn zak hebbenIemand goed kennen/ Iets helemaal begrijpen / Iets voor mekaar hebben
  • In zijn zak stekenGeen antwoord meer weten / Het met een antwoord moeten doen
  • Met pak en zak (gaan)Met veel bagage gaan

Vertalingen

Engelssack, bag, pocket
Franssac, poche, saquer
DuitsSack, Tasche, feuern
Spaansbolsa, bolso, saco
Italiaanssacco, tasca
Portugeessaco, saca, bolso
Russischмешок, карман
Chinees口袋
Japans袋, ポケット, 懐中
Koreaans자루, 호주머니
Arabischجيب
Turkscep, çuval, cep
Poolsworek, kieszeń
Zweedssäck, ficka
Deenssæk, lomme