zaagvis
mannelijk (de)/ˈzaxfɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kraakbeenvissen) benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familieDie man ging in een meer met zaagvissen zwemmen, wat uiteraard erg gevaarlijk was.
Vertalingen
Engelssawfish
Franspoisson-scie
DuitsSägefisch
Spaanspriste, pez sierra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek