zaag

mannelijk/vrouwelijk (de)/zax/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen

Etymologie

* In de betekenis van ‘getand werktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1101

Vertalingen

Engelssaw
Fransscie
DuitsSäge
Spaanssierra
Italiaanssega
Portugeesserra
Russischпила
Chinees
Japans
Koreaans
Arabischمنشار
Poolspiła
Zweedssåg
Deenssav