wintermaand
vrouwelijk (de)/ˈwɪntərmant/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) de eerste, tweede of de twaalfde maand van het jaarDecember, januari en februari zijn wintermaanden.In een groot deel van Nederland ging de oorlog nog een paar maanden door. Het waren uiterst moeilijke wintermaanden. Het was heel koud en er was bijna geen eten. Daarom heet deze winter van 1944 'de Hongerwinter'. Maar op 5 mei 1945 was de rest van Nederland ook bevrijd. Soldaten uit Canada, Amerika, Groot-Brittannië en Polen hebben Nederland bevrijd.Buiten de wintermaanden gebruiken honderden boeren langs de Maas de grond voor de verbouw van bijvoorbeeld aardappelen en maïs en voor gras- en hooiland. De boeren betogen dat er geen onderscheid gemaakt moet worden tussen schade binnen en buiten de dijk.
- oude naam voor de twaalfde maand van het kalenderjaar
Etymologie
*[2] uit Oudnederlands wintarmānoth en Middelnederlands wintermaent; omdat de winter in december begint
Vertalingen
Engelswinter month
Fransmois (m) d'hiver
DuitsWintermonat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek