winkelraam

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het grote raam van een winkel waarachter de te verkopen producten zijn geëtaleerd
    Nou kon het niet meer, begreep-ie; die vent had natuurlijk gezien, van welke kant hij kwam' en hij zou het heel verdacht vinden: Een jongen die aan kwam lopen' en even voor 't winkelraam kwam staan, en dan weer terugging! En Kees stapte weg: de andere kant uit dan hij wou.