willen

/ˈwɪlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. modl (modl) iets als verlangen of voorkeur hebben
    Hij wilde daarover geen uitsluitsel geven.
    Ik wilde met mijn hele hebben en houden op mijn rug in de overweldigende wildernis van Amerika slapen onder de sterren, nieuwe mensen ontmoeten, alleen met mijn gedachten door de bossen lopen en de vrijheid hebben om te gaan en te staan waar ik wilde.
    Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog? Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.
  2. ov (ov) iets wensen te bezitten of verbruiken
    Ik wil die doos daar.
    Zij wil liever thee.
  3. modl (modl) drukt een verzoek uitIn deze betekenis niet in de eerste persoon, aangezien men het verzoek alleen aan anderen kan richten
    Wil je even daarheen gaan?
  4. onpr, ov (onpr), (ov) de rondte doen (gezegd van een gerucht, verhaal e.d.)
    Het gerucht wil, dat...
  5. onpr, inerg (onpr), (inerg) mogelijk zijn, kunnen
    Dat wil nog weleens gebeuren.
  6. onpr (onpr) lukken
    Het wil nog niet zo.
    Wil het een beetje?
  7. verouderd, modl (verouderd), (modl) zullen
    Willen we gaan?

Etymologie

:Latijn: velle

Uitdrukkingen

  • Willen weten welk vlees men in de kuip heefteerst willen weten hoe iemand is
  • Als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen.zich voornamer voordoen dan men in het echt is, met gezichtsverlies tot gevolg
  • Ergens een nachtje over willen slapeneerst nog goed willen nadenken
  • Ergens haring of kuit van willen hebbenergens precies alles van willen weten hoe het in elkaar steekt
  • Het ei wil wijzer zijn dan de kip.het kind denkt het beter te weten dan de ouder
  • Het naadje van de kous willen wetenprecies van alles de details willen weten hoe het in elkaar zit
  • Het onderste uit de kan willenhet uiterste willen
  • Het oog wil ook watmensen vinden het fijn als iemand er verzorgd uitziet

Vertalingen

Engelswant, be willing to, wish
Fransvouloir
Duitswollen
Spaansquerer, desear, tener ganas
Italiaansvolere
Portugeesquerer, ter vontade de
Russischхотеть, захотеть
Chinees
Arabischأراد
Poolschcieć
Zweedsvilja
Deensville