wijl

mannelijk/vrouwelijk (de)/wɛil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een poosje
voegwoord
  1. verouderd (verouderd) geeft onderschikkend een reden aan
    En zie, gij hebt haar gedaante gezien, en wijl zij om haar zoon treurde, zijt gij begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘tijdsverloop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Vertalingen

Engelsbecause
Fransparce que
Duitsweil
Spaansporque
Italiaansperché
Portugeesporque
Deensda