wijdheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iets wijd is
    Sinds Adam zijn wij allen niet meer dan armetierige zondaren. Wij zijn niet beter dan andersdenkenden. Als wij al beter weten, is dat genade. Pure gratie en geen prestatie. Waar dit wordt beleefd, ontstaat mildheid over anderen. „In hun beste vertegenwoordigers vertonen zij een innigheid en wijdheid van het hart, een brede, alles omsluitende mildheid, waar men niet zonder ontroering naar kan kijken”, schreef dr. A. A. van Ruler op bijna poëtische wijze. Reformatorisch Dagblad Mr. D. J. H. van Dijk 18-04-2012 [https://www.rd.nl/opinie/columns/bevindelijk-gereformeerde-leven-mooiste-levensvorm-rond-het-kruis-1.668679 Bevindelijk gereformeerde leven mooiste levensvorm rond het kruis]

Etymologie

* afleiding van wijd