wiet

mannelijk (de)/wit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor de als roesmiddel gebruikte gedroogde toppen van de vrouwelijke hennepplant,
    Je moet echt stoppen met het roken van wiet!
    Gelukkig werd er alleen wiet gevonden, dat wel geconfisqueerd werd maar waar verder geen straffen voor werden uitgedeeld.
  2. tuinbouw (tuinbouw) benaming voor hennep, , gekweekt om er roesmiddel van te maken
    „Wij werken samen met Wageningen University & Research, doen onderzoek naar medicinale wietteelt, en weten wat wel en niet werkt”, zegt Rau. „Weinig partijen hebben ervaring met teelt op grote schaal, in kassen. Dan heb je te maken met vier jaargetijden die invloed hebben op de wiet in de kas. Daar kan veel meer mis gaan dan als je wiet op een zolderkamertje teelt: er kunnen infecties optreden of schimmels. Wij hebben die ervaring wel.”

Etymologie

*fonetisch van Amerikaans- "weed" "marihuana"

Vertalingen

Engelsweed
Spaanscáñamo, cáñamo indio, marijuana