marihuana

vrouwelijk (de)/ˌmarijuˈwana/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde, medisch (plantkunde) (medisch) chemische stof gemaakt van de bloemtoppen of zaaddoosjes van de vrouwelijke, onbevruchte hennepplant (variëteit indica) die een hoog gehalte van de stof THC bevat en kan worden gebruikt als medicijn of genotmiddel
    In veel landen is de handel in marihuana een misdrijf maar de meeste Nederlanders vinden dat Nederland marihuana moet legaliseren [http://www.parool.nl/parool/nl/224/BINNENLAND/article/detail/3562546/2013/12/15/Meerderheid-Nederlanders-steunt-legale-marihuana.dhtml www.parool.nl]

Etymologie

* Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘genotmiddel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1939

Vertalingen

Engelsmarihuana
Spaanscáñamo, cáñamo indio, marijuana