wielrijder
mannelijk (de)/ˈwilrɛidər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) iemand die fietstToen CH Bingham in 1884, één jaar na de oprichting van de ANWB, de eerste fietskaart tekende was dat naar ieders overtuiging een doelmatige kaart: ze vertoonde alleen die wegen waarop een wielrijder niet in de modder bleef steken.
Etymologie
*, in de betekenis van ‘fietser’ in 1869 gevormd door de 19e-eeuwse Nederlandse letterkundige Alfred Buijs naar het voorbeeld van een woord als paardrijder, op te vatten als afgeleid van "wielrijden"
Vertalingen
Engelscyclist
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek