wie
/wi/
Betekenis
voornaamwoord
- vragend voornaamwoord dat vraagt naar een persoonWie is daar?
voornaamwoord
- betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent: degene dieWie zoekt, die vindt.
Etymologie
:Oost: : hwas, hwa, hwe
Uitdrukkingen
- wie het laatst lacht, lacht het best
- Wie 's nachts uit vissen gaat, moet overdag zijn netten drogen. — als je teveel gedronken hebt, ben je de volgende dag niets waard
- Wie a zegt moet ook b zeggen. — als iemand eenmaal ergens aan begonnen bent, moet die er ook mee doorgaan
- Wie aan de weg timmert heeft veel bekijks. — iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek
- Wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon gaan lopen. — als je zelf iets gedaan hebt wat verkeerd is, moet je een ander niet van beschuldigen als die hetzelfde gedaan heeft
- Wie de schoen past, trekke hem aan. — als je je aangesproken voelt moet je er maar wat mee doen ofwel: zonder dat iemand bij naam wordt genoemd toch weten dat diegene wordt bedoeld
- Wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een stok vinden. — als je iemand (ergens mee) wilt afkeuren is er altijd wel een reden te vinden
- Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. — je kan het slachtoffer worden van je eigen snode plannen
Vertalingen
Engelswho, he who, he whom
Fransqui, celui qui, celui que
Duitswer, wer
Spaansquién
Russischкто, кто
Arabischمن
Poolskto, kto
Zweedsvem
Deenshvem
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek