werkmeester

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toezichthouder, leidinggevende bij bepaalde werkzaakheden
    De commissaris Speeleveld wenkt de werkmeester en de werkmeester fluistert met de timmermansbaas.
  2. ambachtsman die de titel meester mag dragen
  3. als naam voor God of de Schepper
    Deze Trek moet de verstandige beschouwer gereedelijk erkennen, voor den prikkel der Natuur, ter instandhouding der geslachten, door den alwijzen Werkmeester in alle dierlijke Schepselen ingedrukt; gaande alomme, door zijne beschikking, gepaard met genoeglijke genietingen; en dus in den redelijken mensch, die met eenig vooruitzicht bedeeld is, krachtiglijk werkzaam, en vruchtbaar in veelerlije schoone en verrukkelijke vertooningen, waar mede zich de verbeelding streelt, en die hem in daadelijke opvolging dier begeerte allerlije geneugten belooven.