baas
mannelijk (de)/bas/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informeel) iemand die leiding geeft aan anderenOnze chef voelt zich een heel baasje.
- eigenaar van een dierHondenpoep dient door het baasje opgeruimd te worden.
- iets of iemand die de macht heeft om zijn wil af te dwingenIn Nederland duurde die oorlog van het jaar 1940 tot 1945. Nederland was bezet door Duitsland. De Duitsers waren de baas over Nederland. Het was een heel moeilijke tijd. Er vielen veel doden. Ieder jaar worden de slachtoffers van de oorlog herdacht op 4 mei. En ieder jaar wordt op 5 mei gevierd dat Nederland een vrij land is.
- iemand die alles onder controle heeftMentaal sterke mensen:Vermijden zelfmedelijden;Zijn de baas over hun eigen emoties;Lopen niet weg voor veranderingen;
Etymologie
* In de betekenis van ‘meerdere, hoofd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1280
Vertalingen
Engelsboss
Franschef, patron, patronne
DuitsChef, Boss
Spaanspatrón, amo, jefe
Italiaanscapo
Poolsszef
Zweedsanförare, chef
Deenschef
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek