chef

mannelijk (de)/ʃɛf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) de baas, iemand die de leiding heeft
    'De Route Nationale 7 is nog altijd belangrijk voor ons, omdat ze veel toeristen aanvoert', zegt Sandro Belle (30), chef de cuisine van het Vineum in Tain l'Hermitage, een lunchrestaurant en wijnproeverij, twee jaar geleden geopend door de grote wijnproducent Paul Jaboulet Ainé.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘die aan het hoofd staat’ voor het eerst aangetroffen in 1516

Vertalingen

Engelshead, chief, leader
Franschef
DuitsChef(in)
Spaansjefe, amo, patrón
Italiaanscapo
Portugeeschefe
Poolskierownik
Zweedsledare, chef