weligheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate dat iets in grote hoeveelheden voorkomt; de mate waarin iets in grote hoeveelheden groeit en bloeit
    Gegevens omtrent zijn levensloop zijn te vinden in het voorwoord bij zijn dichtbundel De Herderszangen en Mengeldichten van Abraham de Haen die in 1751 na zijn overlijden werd uitgegeven door Sara Maria van der Wilp (1716-1803). Zij was een dochter van Jessica Preyger, een zuster van Abrahams moeder. Hierin werd gewag gemaakt van zijn Gezichten van Landschappen, Steden, Sloten, enz., die den roem van alle Oordeelkundigen wegdraagen, alsmede van zijn herderszangen, wier zoetvloeijenheid en weligheid zo streelend is, dat zy elks goedkeuring verdienen. Wikipedia [https://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_de_Haen Abraham de Haen]

Etymologie

* afleiding van welig

Vertalingen

Engelsabundance