overvloed

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) het voorhanden zijn van meer dan voldoende van iets
    Dat had de bodem gelegd voor de welstand, om niet te zeggen overvloed, van de voltallige familie voor de nabije toekomst.
    Er was een overvloed van aardbeien dat jaar.
    Menselijke aangelegenheden waren al net zo onveranderlijk als de seizoenen. Keizerrijken bloeiden op en raakten in verval. Perioden van overvloed werden afgewisseld met hongersnoden, maar in essentie bleef alles bij het oude.

Vertalingen

Engelsglut, abundance
Fransabondance
Spaansabundancia, plétora
Portugeesabastança