wekken

/wɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) wakker maken
    Ze wekte het kind.
    Ik werd in alle vroegte gewekt door iemand die over mijn scheerlijn struikelde en brommend verder liep.
    Maar de hitte en de zon wekten ons toch vroeger dan we wilden en de rest van de dag brachten we door met hangen en lezen.
  2. ov (ov) veroorzaken
    Hij wekte een verkeerde indruk.
    De bronteksten wekken wel de indruk dat deelname van vrouwen niet altijd gladjes verliep.
    Wekenlang forceerde ze zichzelf steeds opnieuw om die peilloze afgrond in haar binnenste te ontwijken en - in ieder geval voor de buitenwereld - de indruk te wekken dat ze de situatie redelijk onder controle had.

Etymologie

*(causatief) bij waken: wakker doen zijn

Vertalingen

Engelswake, raise
Fransréveiller, éveiller
Spaansdespertar
Russischразбудить, вызвать, произвести