weggaan

/ˈwɛxan/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zich ergens vandaan begeven
    We moeten nu echt weggaan, anders komen we niet meer op tijd.
    Ik wilde maar één ding, en dat was hier weggaan en mijn zelfbeheersing en energie hervinden.
    'We kunnen toch niet weggaan als het ons even niet bevalt? Dan geven we een slecht voorbeeld.
  2. erga (erga) uitgaan, feesten
    Wilde jij vanavond nog weggaan?
  3. erga (erga) uit een relatie stappen
    De vriendin van de buurman is gisteren bij hem weggegaan.

Vertalingen

Engelsleave, leave
Franss'en aller
Duitsweggehen, verlassen
Spaansirse, marcharse, abarse
Italiaansandarsene
Russischуходить